Over De Dood
Wie de dood kent, leeft anders
De bijna-doodervaring van George G. Ritchie

Terwijl hij probeerde rechtop te blijven staan voor de röntgenfoto, begaven zijn benen het. Het laatste dat hij zich kon herinneren voordat hij buiten bewustzijn raakte was de kreet van een legerkapitein: “Hou hem vast!.”

Zijn volgende herinnering was dat hij in een kleine, karig verlichte kamer zat waar hij nog nooit was geweest. Op het bed naast hem lag iets onder een deken, maar hij had geen tijd om daar aandacht aan te besteden.

Zijn overheersende gedachte was de noodzaak om de laatste trein naar Virginia te halen. Hij kon zijn uniform niet vinden en liep de kamer uit en de gang van de afdeling ernaast in. Daar kwam een verpleger op hem toe die een bedekte schotel droeg. Hij was bang dat de man tegen hem aan zou lopen en riep een waarschuwing, maar tot zijn verbazing gaf de man er geen enkele blijk van hem te zien of te horen, maar was het alsof hij dwars door hem heen liep …

Volkomen verbijsterd, maar nog steeds vastbesloten dat hij naar Richmond moest dat hij niet besefte wat hem overkwam, ging Ritchie een buitendeur uit (hoe hij dat deed, wist hij niet), om plotseling met nog meer verbazing vast te stellen dat hij zich zo’n 15 meter boven de grond bevond en met een enorme snelheid door de duisternis bewoog.

Onder zich zag hij de woestijn en kleine heuvels met mesquitebomen. Het terrein ging langzamerhand over in een meer bebost gebied. Uit de stand van de Poolster leidde hij af dat hij in oostelijke richting ging. Hoewel het terrein onder hem ijskoud leek voelde hij tot zijn verbazing helemaal geen kou.

Al snel ging hij over een brede rivier, die door een indrukwekkende brug werd overspannen; aan de overkant zag hij een grote stad. Daardoor kwam de gedachte bij hem op snelheid terug te nemen om te zien of hij in de juiste richting naar Richmond ging. Daarop gebeurde, in zijn eigen bewoordingen, het volgende:

Toen ik dichter bij de grond kwam … zag ik de blauwe kleur die afkomstig was van een neonreclame voor Pabst Blue ribbon bier, dat zich voor één van de ramen van een wit café bevond. Het was op de hoek van de straat tegenover me. Ik zag een lange, magere man, gehuld in een donkere jas, die over de stoep naar de deur van dit café liep. Ik daalde op ongeveer 3,5 meter voor hem om de richting te vragen. Ik had er geen idee van waar ik was en hoe ver ik gereisd had. ‘Hoe heet deze stad? Weet u waar Richmond is, en welke kant ik dan uit moet?” En voor de 2e keer die nacht was er weer iemand die deed alsof hij me niet kon zien of horen. En ook hij liep dwars door me heen. Dit was te veel voor me.

Toen hij even nadenkend tegen een telefoonpaal wilde leunen, bemerkte Ritchie dat deze geen substantie leek te hebben. Hij leek er gewoon recht doorheen te gaan. En toen begonnen er gedachten bij hem op te komen die hij later ‘de merkwaardigste, moeilijkste gedachten’ vond die hij in zijn hele leven had gehad.

In zijn eigen woorden: Die man bij het café, die telefoonpaal … stel dat ze volkomen gewoon zijn? Stel dat ik degene was die in enig opzicht veranderd was? Als ik nu eens op de een of andere onmogelijke, onvoorstelbare manier mijn vaste vorm was kwijtgeraakt? Mijn vermogen om dingen beet te pakken, contact te maken met de wereld? Zelfs om gezien te worden?

Hij twijfelde nu of deze tocht naar Richmond wel zin had. Hij vroeg zich af: Zal de commandant of één van de professoren of studenten in staat zijn te weten dat ik er ben? Wat heeft het voor zin om erheen te gaan als ze dat niet kunnen? … Wat was dat hoopje onder de dekens dat ik achterliet in het bed toen ik in die kamer in Texas opstond? Zou dat een lichaam zijn geweest? Ik hou niet van deze manier van denken: een mens wordt niet van zijn lichaam gescheiden, tenzij hij dood is!!!

Als ik dat ben, wat is dan dat ding waar ik nu in zit? Het kan door deuren gaan zonder ze te openen. Het kan vliegen. Het voelt geen kou. Hoe opmerkelijk die eigenschappen ook zijn, ik heb er niets aan als niemand me kan zien. Ik moet terug naar dat ziekenhuis in Camp Barkeley om mijn andere lichaam te halen!.

Ritchie had dit in zijn verwarring nog niet helemaal uitgedacht of hij bevond zich alweer in de lucht, maar nu bleek hij in de richting te gaan vanwaar hij gekomen was. Binnen geen tijd stond hij weer voor het ziekenhuis van Barkeley Station.

Maar nu had hij het volgende probleem: waar had hij zijn lichaam nu precies gelaten?

Toen ik uit het ziekenhuis wegging, had ik zo’n haast dat ik niet de moeite had genomen om te kijken van welke afdeling ik kwam. Wat er eerder met de mensen gebeurde, was ook nu weer het geval. Die mensen, nu de dokters en de verpleegkundigen, konden me ook niet zien of horen en ik kon hun dus ook niet vragen waar mijn kamer was. Het ziekenhuis was veel groter dan ik had verwacht; ik was hiervoor maar op 2 afdelingen en in de bioscoopzaal geweest. Nu zwierf ik van de ene afdeling naar de andere, van kamer naar kamer, op zoek naar dat kamertje waar ik had gelegen voor ik wegging.

Hij maakte zich zorgen of hij zijn lichaam zou herkennen. Hij wist dat hij een ring van Phi Gamma Delta droeg en gebruikte die kennis voor de herkenning. Weldra kwam hij bij een kleine, karig verlichte kamer die leek op de kamer waar hij naar op zoek was. Hij keek naar binnen en zag een lichaam op het bed, met de lakens over het hoofd getrokken, alleen de linkerarm was onbedekt. Dat was genoeg. Tot zijn ontzetting zag hij de Phi Gamma Delta-ring om de ringvinger van die hand. Het was ongetwijfeld de zijne, want er was zelfs een stukje uit de onyx, die hij beschadigd had tijdens een oefening met hindernissen. Zijn ontzetting werd vooral veroorzaakt doordat de hand er precies zo uitzag als die van zijn grootvader net nadat die 3 jaar geleden gestorven was …

Hoewel Ritchie heel graag het laken wilde wegtrekken kon hij dat niet in de vorm waarin hij zich nu bevond.

Hij besefte nu dat hij dood moest zijn.

Hoewel hij was opgevoed op een typisch Amerikaanse Bijbelvaste manier, als een gelovige zuidelijke baptist, leek het in niets te lijken op wat de predikanten van zijn kerk hem hadden doen verwachten van de dood.

Ik had het idee dat als iemand stief, hij tot de dag des oordeels zou blijven slapen, om dan te worden beoordeeld en naar de hemel of de hel te worden gestuurd. Wat ik nu beleefde, had nooit iemand verteld.

Tenslotte, overvallen door de meest intense gevoelens van eenzaamheid, wanhoop en angst die hij ooit gevoeld had, riep Ritchie in gedachten uit:

O God, waar bent u, nu ik zo eenzaam en moedeloos ben?

Toen gebeurde het absoluut onmogelijke: het licht aan het hoofdeind van zijn bed werd steeds helderder. Eerst dacht hij dat het het kleine nachtlampje was, dat de enige verlichting van de kamer uitmaakte. Maar toen zag hij dat het van naast het witte nachtkastje aan het hoofdeind van het bed kwam. Het bleef zo aan intensiteit toenemen dat hij naar zijn mening onmiddellijk verblind was geweest als het een gewoon licht was.

Het moment daarop stroomden de volgende woorden zijn gedachten binnen: Sta op! Je bent in de aanwezigheid van de Zoon van God.

Hierop stapte uit het licht wat hij slechts kon beschrijven als ‘het prachtigste Wezen dat ik ooit heb gezien’

Met ‘een soort van weten, onmiddellijk en totaal’ zag Ritchie dat dit Wezen Jezus moest zijn, maar niet de Jezus uit zijn vroegere zondagsschoolboeken. In plaats daarvan was deze Jezus, in zijn waarneming: de kracht zelf, ouder dan de tijd en toch moderner dan iemand die ik ooit ontmoet heb.

Hij was onvoorwaardelijke liefde. Een verbazingwekkende liefde. Een liefde die mijn stoutste verbeelding te boven gaat. Deze liefde kende alles wat aan mij liefdeloos was – de ruzies met mijn stiefmoeder, mijn explosieve aard, de seksuele gedachten die ik nooit de baas kon, alle gemene, zelfzuchtige gedachten en handelingen sinds de dag dat ik geboren was – en me toch aanvaardde en liefhad.

Het was niet zo dat Ritchie alleen maar veronderstelde dat deze liefdevolle Mens zoveel over hem wist. Het kwam doordat zij met zijn tweeën in die kleine kamer tot zijn opperste verbazing keken naar elke afzonderlijke gebeurtenis in zijn leven dat daar in zijn geheel aan hem voorbijging. Hoewel Ritchie ervan overtuigd was dat ze in de kamer bleven, was het alsof de muren geen enkele hindernis vormden, en dat elk afzonderlijk moment van zijn leven weer aan hem verscheen op één en hetzelfde moment, als deel van een enorme, driedimensionale ‘licht- en klankshow’.

Ook kwamen tegelijkertijd alle afzonderlijke periodes uit mijn hele leven die kamer binnen, maar als ik erover moet vertellen, dan moet ik ze één voor één beschrijven. Alles wat me ooit was overkomen, was daar gewoon, volledig in beeld, uit vroegere periodes en uit de laatste tijd en alles leek op datzelfde moment te gebeuren.

Elk klein detail van zijn leven kon Ritchie zien vanuit het perspectief van anderen!!

Hij zag zijn moeder terwijl ze stervende was (ze stierf kort nadat hij na een keizersnee geboren was) samen met hemzelf als baby van 2,5 pond, happend naar adem in een couveuse. Ook zag hij zichzelf opgroeien.

Hoewel hij zich destijds beschouwde als iemand die zich ontwikkeld had tot een ‘vrij normale tiener’, zag hij met een pijnlijk gevoel zijn aanvankelijke en volhardende afwijzing van Mary, de lange jonge vrouw die zijn vader mee naar huis bracht om zijn stiefmoeder te worden. Met dezelfde pijn zag hij zijn diepe wrok toen Mary zijn halfbroer Henry baarde. Hij voelde het vuur van zijn woede toen de nog kleine Henry zijn modelvliegtuigje kapot had gemaakt. Hij ervoer ook de overmatige trots waarmee hij zijn Eagle badge kreeg ten overstaan van zijn scoutsgroep; en de zelfvoldaanheid waarmee hij iedere zondag plichtsgetrouw naar de kerk ging, waarbij hij zich verheven voelde boven de kinderen die dat niet deden. Hij stelde zelfs vast dat zijn zeker prijzenswaardige drang om dokter te worden de minder verheven ambitie verhulde om een Cadillac en zijn eigen privévliegtuig te kopen van de rijkdom die hij dacht te verwerven door zo’n beroep.

Ik besefte dat ík het was die oordeelde over de gebeurtenissen rondom me. Ik zag ze als banaal, egocentrisch en onbelangrijk.

Achter elk beeld leek de brandende vraag van de man van het licht te schuilen: Wat heb je met je leven gedaan om Mij te laten zien?

En terwijl hij zichzelf gadesloeg, leek hij steeds weer veel te weinig als antwoord te bieden te hebben. Zelfs het schijnbaar redelijke excuus : Maar ik ben pas twintig. Ik ben nog niet echt begonnen, leverde de niet minder liefdevolle reactie op: ‘Niemand is te jong om te sterven’.

Terwijl Ritchie nog steeds probeerde meer excuses in zijn gedachten te ontwikkelen: Waarom heeft niemand me verteld dat het hierom gaat in het leven? Merkte hij dat hij weer in beweging was.

Hij ging recht omhoog door het dak van het ziekenhuis en bewoog vervolgens met een enorme snelheid over de oppervlakte van de aarde, waarbij de enige raad die hij van de Mens kreeg, was: Houd je ogen op Mij gericht. Even later naderde hij een grote Amerikaans uitziende industriestad aan een groot water.

Hier zag hij onmiddellijk iets heel vreemds in de straten, kantoren en fabrieken. Het was overal onmogelijk druk.

In een straat zag hij 2 mannen over de stoep lopen. Eén ervan liep gewoon dwars door de ander heen, alsof die er niet was.

In een kantoor zag hij een man die een kooporder dicteerde, en zich kennelijk niet bewust was van een andere, oudere man, die achter hem stond en wanhopig probeerde hem van mening te doen veranderen: Nee! Als je 100 gros bestelt, rekenen ze meer. Bestel 1000 gros per keer. Met Pierce zou je een voordeliger koop hebben gesloten.

In een fabriek zag hij een groep lopende-bandarbeiders die koffiepauze hadden, met achter hen een vrouw die smeekte om een sigaret ‘alsof ze die liever had dan wat ook ter wereld’. Toen één van de arbeiders, die duidelijk blind en doof was voor de vrouw achter hem, echt een sigaret uit een pakje haalde en opstak, graaide de vrouw achter hem er herhaaldelijk naar, maar het leek alsof ze in de lucht greep …

Ik dacht aan die telefoonpaal. Het laken op het bed van het ziekenhuis. Ik herinnerde me dat ik tegen een man schreeuwde die zelfs niet naar me keek. En toen dacht ik weer aan die mensen in deze stad, die wanhopig probeerden aandacht te trekken en over straat liepen zonder ruimte in te nemen. Kennelijk bevonden die mensen zich in dezelfde substantieloze toestand als ik.

Ze waren in feite, net als ik, dood.

En toen schoten Ritchie ‘als een elektrische schok’ de woorden binnen van Jezus, die hij zich herinnerde van de zondagsschool: Vergaar geen schatten op aarde.

Zoals hij die mensen nu zag, ze bleven geketend aan de materiële wereld door alle dingen die ze tijdens hun leven hoogst belangrijk hadden gevonden (hun baan, sigaretten, materiële bezittingen)

Ritchie ging nu in gedachten naar zijn eigen gebreken (trots over Eagle badge, poging om terug naar Virginia te gaan, drang om Cadillac te bezitten). Zouden dit zijn ketenen worden?

Maar de Mens bewoog hem voort, nam hem op een reis ‘zo snel als het denken’ mee van de ene stad naar de andere, waarbij steeds weer alles overbevolkt leek, vanwege al die wezens die alleen maar dood konden zijn als ze zich mengden onder de nog levenden die hen niet konden waarnemen.

Ritchie werd zich bewust van een nieuwe groep van dergelijke ‘geestverschijningen’.

In een huis volgde een jongeman een oudere man van de ene kamer naar de andere. ‘Het spijt me, pa’ zei hij steeds weer. ‘Ik wist niet wat het voor mama betekende! Ik wist het niet..’ de oude man droeg een schaal naar een kamer waar een oudere vrouw in haar bed zat. ‘Het spijt me, pa, zei de jongeman weer. ‘Het spijt me, ma’. Eindeloos, steeds opnieuw, tegen oren die niet konden horen …

Meerdere malen stonden we stil bij verschillende scènes.

Een jongen die een meisje volgde door de gangen van een schoolgebouw. ‘Het spijt me, Nancy!’. Een vrouw van middelbare leeftijd die een man met grijze haren vroeg haar te vergeven.

‘Waar hebben ze spijt van, Jezus?’ vroeg ik. ‘Waarom blijven ze praten tegen mensen die hen niet kunnen horen?’

Toen kwam van het Licht naast me de gedachte: Ze hebben zelfmoord gepleegd en zijn geketend aan de gevolgen van hun daad.

Ritchie werd voortbewogen naar wat een marinebasis leek, en naar een smerige kroeg, die ook weer druk bezet was, en waar hij spokende alcoholisten bij levende dronkaards zag.

Wat hem bijzonder boeide was dat steeds wanneer een dronkaard buiten bewustzijn raakte een wanhopig dorstige geest in hem leek te springen, zodat ze samen één werden. Hij begon te zien dat de levenden zich van de geesten onderscheidden door een vaag cocon van licht rond hun lichaam, maar steeds wanneer iemand door de alcohol buiten bewustzijn raakte, vervaagde dat licht van de cocon waardoor een van de rondspokende geesten hem kon overnemen, ofwel hem letterlijk ‘bezitten’.

De scène was zo angstaanjagend dat het woord ‘hel’ in Ritchies gedachten kwam. Daarbij vroeg hij zich af waarom al die smerige dode mensen, die zo wanhopig hechtten aan echte bierglazen die ze niet konden vasthouden, de zo verbazingwekkend stralende Mens naast hem niet konden zien.

Hij was weer onderweg. Nu kwam hij op een enorme vlakte, bezaaid met nog meer wezens; het ontbreken van de cocon van licht wees erop dat ze allemaal dood waren.

Eerst dacht ik dat we naar een enorm slagveld keken: overal waren mensen verwikkeld in wat gevechten met de dood leken; ze kronkelden, sloegen en groeven. Hoewel ze bijna letterlijk bovenop elkaar leken te staan, was het of iedereen in de lucht stond te slaan; uiteindelijk begreep ik dat ze elkaar niet echt konden raken omdat ze geen vaste vorm hadden …

Deze schepselen leken vast te zitten in starre gedachten en emoties, in haat, lust, destructieve gedachtepatronen.

Wat iedereen ook dacht, of dat nu vluchtig, onbewust of onwillig was, werd onmiddellijk duidelijk aan alle anderen om hem heen, vollediger dan woorden het hadden kunnen uitdrukken, sneller dan geluidsgolven het hadden kunnen overbrengen.

En de meest voorkomende gedachten die werden overgebracht hadden te maken met de superieure kennis of kwaliteiten, of de achtergrond van het denken:

‘Ik heb het je gezegd’

‘Ik heb het altijd al geweten’

‘Heb ik je niet gewaarschuwd’

Met een onbehaaglijk gevoel van bekendheid herkende ik hier mijn eigen manier van denken. Dat was ik – de ware klank van mijn stem – de rechtgeschapene, de prijswinnaar, de kerkganger.

Op de leeftijd van twintig had ik nog geen echte ketenende gewoonten ontwikkeld, niet zoals die wezens die ik had zien worstelen om zo dicht mogelijk bij die bar te komen. Maar in die kreten van afgunst en gekwetste eigenwaarde hoorde ik mezelf maar al te goed.

Ritchie merkte dat er van de Mens naast hem absoluut geen gevoel van veroordeling van die ongelukkigen kwam, maar uitsluitend mededogen.

Als deel van zijn ‘kennis’ voelde hij dat het hun wil was, niet de zijne, die hen hield waar ze waren. En toen hij zich afvroeg waarom ze allemaal bij elkaar bleven en niet probeerden van elkaar weg te komen, kwam het antwoord heel duidelijk op hem over. Ze konden nergens heen. Dit muurloze rijk van gedachten had geen privéhoekjes, geen afzonderlijke ruimten. Alles en iedereen was overal altijd tegelijkertijd aanwezig.

Ritchie ontdekte plotseling ‘met een schok die me met stomheid sloeg’, toen hij boven diezelfde vlakte zweefde, en boven alle mensen die zich erop bevonden, dat er wezens waren van hetzelfde immense licht als de Mens Jezus, die hem had meegenomen op deze buitengewone reis.

Hij besefte daardoor ook dat die Wezens er ook al de tijd naast alle ‘geestverschijningen’ die hij in de kantoren, kroegen en fabrieken had gezien, waren geweest. Hij had hen eerder eenvoudig niet waargenomen, of was zich niet bewust geweest van hun aanwezigheid.

(Dit waren fragmenten (Uit: Is er leven na de dood - Ian Wilson) van de bijna-doodervaring uit 1943 van de psychiater dr. George Ritchie. (Het woord bijna-doodervaring werd pas 25 jaar later door Raymond Moody voor het eerst gebruikt)

In het boek Return from Tomorrow (1978) en in zijn autobiografie My Life after Dying beschrijft dr. George Ritchie zijn ervaringen. In september 2008 is de Nederlandse vertaling Terugkeer uit de dood nogmaals uitgegeven, nu door Christofoor.)