Over De Dood
Wie de dood kent, leeft anders
De hemel en de hel

Ik zal u de hel laten zien, zegt de Heer en hij brengt de rabbijn in een kamer waarin het midden een heel grote, ronde tafel staat. De mensen die er zitten zijn uitgehongerd en wanhopig. Midden op de tafel staat een grote pan met hutspot, genoeg voor iedereen. Het ruikt verrukkelijk en het water loopt de rabbijn in de mond.

Al de mensen rond de tafel hebben lepels met een enorm lange steel. Ze kunnen er precies mee bij de pan komen om er een schep uit te nemen, maar, omdat de stelen langer zijn dan hun armen, kunnen ze het eten niet in hun mond krijgen.

De rabbijn ziet hoe vreselijk dit voor hen is.

Nu zal ik u de hemel laten zien, zegt de Heer en ze gaan een andere kamer binnen.

Daar staat zo’n zelfde tafel en daarop zo’n zelfde pan met hutspot. De mensen hebben net als zojuist, net zulke lepels met lange stelen, maar ze zien er goed doorvoed uit en stevig, ze lachen en praten. Eerst begrijpt de rabbijn er niets van.

Het is heel eenvoudig, zegt de Heer, maar er is wat kunde voor nodig.

Ziet u, ze hebben geleerd elkaar te voeren.

(schrijver is anoniem)