Over De Dood
Wie de dood kent, leeft anders
Een blik in de voorhof van het paradijs

Er kwam eens een oude vrouw bij de kluizenaar. Ze was klein en tenger, met gebogen rug en kleine, fijne handen. Ze had spierwit haar, een gegroefd gelaat en verstandige, goede ogen.

De kluizenaar begroette haar en verbaasde zich erover, dat zij in staat was die lange weg naar boven af te leggen. Hij begreep, dat er een sterke ziel woonde in dit broze lichaam, en hij was verlangend te weten wat zijn hem wel te zeggen zou hebben!

Jij oude man, zei ze, kun je me zeggen, waarom ik kort geleden niet mocht sterven? Ik zal je vertellen hoe het was. Ik ben oud en moe en ik weet eigenlijk niet wat mij in het leven nog te doen staat. Mijn kinderen zijn niet jong meer, zij kunnen zich uitstekend zelf redden. En mijn kleinkinderen – God zegene hen – hebben een vader en moeder en zij hebben mij niet nodig. Er is werkelijk voor mij niets meer te doen op aarde, voor zover ik kan zien. Mijn man is mij voorgegaan – God zij zijn ziel genadig – en vele, vele anderen die mij lief waren, en ik verheugde mij elke dag hen weldra terug te zullen zien in de woningen der heiligen. En het meest verheugt het mij de Moeder Gods en de heiligen te zullen zien, die mijn gebeden hebben verhoord en mij gedurende dit lange leven ontelbare keren hebben geholpen. Wanneer ik je kon vertellen wat ze allemaal voor mij hebben gedaan zou je heel verbaasd zijn en je zou begrijpen, dat ik er naar verlang hen te aanschouwen en te danken.

Ze zweeg en keek naar de kluizenaar. Maar toen hij niet van plan scheen haar te antwoorden, wendde ze haar ogen af en ging voort: Een tijd geleden werd ik ziek en ik dacht, dat mijn dag was gekomen. Ik was reeds half bewusteloos. Ik ontwaakte soms uit deze toestand en ik wachtte op mijn verlossing. Ik wachtte uur na uur, hoewel ik mij niet van tijd bewust was. En in die half dromende toestand verviel ik steeds dieper. Weet je – ze sprak heel zacht en haar ogen gloeiden – ik geloof dat ik reeds dood was. Ik hoorde hemelse muziek, zoals ik nooit tevoren had gehoord. En ik zag een schijnsel, dat in glans en helderheid alles overtrof wat ik ooit had gezien. Ik voelde een vrede en een vreugde heerlijker dan mijn oude hart ooit had gevoeld. Geloof je niet dat ik reeds in de voorhof was, die toegang geeft tot de hemelse heerlijkheid?

Je stond op de drempel, antwoordde de kluizenaar zacht. Ja, zei ze, terwijl ze knikte. Ik stond op de drempel. Maar ik mocht niet naar binnen. Ik moest omkeren. Ik ontwaakte uit die half bewusteloze toestand, en alles om me heen was hetzelfde als tevoren. Ik was weer hier op aarde. Ze zeiden, dat ik zou leven, en dat was zo. Ik zou leven. Haar stem was veranderd. De klank stierf weg en ze sprak langzamer. De laatste woorden klonken mat en weemoedig. Nu keek zij de kluizenaar aan met een vraag in haar ogen. Haar handen rustten stil in haar schoot.

De kluizenaar keek haar aan. Hij begreep deze oude vermoeide vrouw en had haar lief. Toen wendde hij de ogen naar de horizon en begon langzaam te spreken: Gods engel, hij die de mensenkinderen over de drempel brengt in de voorportalen van de hemel, stond aan de ene zijde van je legerstede. Hij had zich al over je heen gebogen, om je in zijn armen mee te nemen. En opdat je daarbij niet de geringste vrees zou voelen, zoals immers mensen licht voelen in de nabijheid van de engel die ze ten onrechte Dood noemen, liet hij je een blik werpen in het voorportaal van de hemel. Ja, zei de vrouw, zo was het. Maar toen keek hij op, ging de kluizenaar verder, en zag iemand aan je andere zijde staan. Dat was de engel Leven. En hij hield een parel in de hand, een glanzende parel, waar licht van uitstraalde. En Dood begreep, dat die parel in de hand van Leven lag voor jou, dat dit je eigendom was, voor jou bestemd door de Heer der mensen en der engelen, maar dat je deze nog niet tot je eigendom had gemaakt, of je erover kon verheugen. Toen hij dit begreep, liet hij zijn armen vallen, die reeds uitgestrekt waren om je te omvatten en gleed zacht opzij, je overlatend aan de handen van Leven. Toen sloeg je de ogen op, en men zei, dat je zou leven. Een parel, mompelde de oude vrouw, iets wat ik nog niet tot het mijne heb gemaakt en waarover ik me nog niet verheugd heb? Wat kan dat zijn?

Ik weet het niet, antwoordde de kluizenaar. Hoe zou ik dat kunnen weten? Ik weet slechts dat dit leven ons is gegeven, omdat er dingen zijn die wij ons eigen kunnen maken, alleen in deze levensvorm. Daarmee is het leven een gave, ook wanneer het ons leed en moeite veroorzaakt. Daarom moet Dood wijken, wanneer Leven nog een gave in de hand houdt.

Ik heb soms wel gedacht, zei de oude vrouw met neergeslagen ogen, dat er misschien nog iets was dat ik doen zou, alhoewel ik het niet zie … een daad, die wachtte. Maar dat kant het toch niet zijn. Ik ben zo oud. Dat kan het zijn, antwoordde de kluizenaar. Iets te mogen doen is immers een gave, een grote gave. Maar het kan ook iets anders zijn. Het enige zekere is, dat Leven je nog iets heeft te geven. Hij zweeg even. Toen vervolgde hij: je geloofde Dood en je gaf je rustig en blij aan hem over. Dat kunnen de mensen meestal niet. Nee, slechts weinigen kunnen dat. Maar wil je nu niet proberen om Leven te geloven en je rustig en blij aan hem over te geven? Ook hij wil je goed doen. En hij is de dienaar en afgezant van dezelfde Heer. Ja, je hebt gelijk, zei de vrouw met bevende stem. Ja, ik wil Leven geloven. Hij wil mij misschien wel … hij zowel als de andere. En hij is gezonden door dezelfde Heer, je hebt gelijk.

De kluizenaar boog zich naar de oude vrouw, en nu fluisterde hij haast, zo zacht sprak hij: Je bent nu ook niet ver van de hemel verwijderd. Nee, je bent er zelfs dichtbij. De hemel is toch geen plaats of een kamer, hoewel wij mensen in onze kortzichtigheid ons dat zo voorstellen. Men kan van de hemel niet zeggen: zie hier of zie daar. De hemel is Gods liefde en Gods vreugde en Gods vrede die wij ondervinden. Hoe meer wij in stat zijn onze harten daarvoor te openen reeds in dit leven, hoe dichter wij bij de hemel zijn. Wij behoeven daarmee niet te wachten totdat wij rusten in de armen van Dood. Niet hij houdt dit voor ons in bewaring, zodat wij het alleen met zijn hulp kunnen bereiken. Wij kunnen in de hemel zijn, nu en hier. De oude vrouw keek zonder te antwoorden naar het gelaat van de kluizenaar op. Maar haar ogen straalden als twee heldere sterren. De woorden van de oude man hadden het zo stil en licht in haar gemaakt. Het was haast als een klein, klein glimpje van die stilte en dat licht, dat zij vernomen had in dat onvergetelijke uur, toen zij op de drempel stond en een blik mocht werpen in de voorhof, die toegang geeft tot de hemelse heerlijkheid. En zie je, ging de kluizenaar met dezelfde gedempte stem voort, hoe meer wij ons openstellen voor de liefde van God, de Godsvrede en de Godsvreugde, des te meer worden wij zelf een beeld van liefde, vrede en vreugde. Wij worden datgene waartoe wij bedoeld zijn: Gods evenbeeld. Een beeld van liefde, vrede en vreugde, herhaalde de vrouw dromerig. Kan men dat worden, dan is het nog waard te leven. Misschien is dat de parel.

Ze keken elkaar aan, de twee oude mensen. Ze begrepen elkaar volkomen. Toen stond de vrouw op om heen te gaan. Ze glimlachte tegen de kluizenaar, zowel haar mond als haar verstandige oude ogen lachten tegen hem.

(Uit: Verhalen en sprookjes op de grens van leven en dood : B. Voorhoeve, Christofoor 1997)