Over De Dood
Wie de dood kent, leeft anders
Vandaag in de hospice

Vanmiddag had ik weer dienst in de hospice… Ik zag er tegenop, omdat het weer de eerste normale dienst was na het overlijden van mijn vriendin. 
Toen ik de gang inliep, zag ik de deur van haar kamer die dicht zat. Fijn, dat er nog geen nieuwe opname was geweest. Ik haalde diep adem en ging naar kantoor voor de overdracht. Ik werd gecondoleerd door mijn collega-vrijwilliger, wat vertrouwd klonk en mij een warm gevoel gaf, maar wat ook vreemd was. Ik was niet meer ‘de vriendin van’, maar was weer vrijwilliger. Alles wat ik moest weten over onze gasten werd me verteld door de dienstdoende verpleegkundige en mijn collega, die daarna naar huis ging.
Voordat ik een ronde deed langs de gasten die er waren, ging ik de kamer in waar mijn vriendin haar laatste weken had doorgebracht. Al haar persoonlijke spullen waren weg; de kamer zag er netjes, bijna steriel, uit. Het bed was leeg en opgemaakt; gesteven lakens en een schone sprei, kussen opgeschud met een kraakhelder sloop erom en het hartvormig kussentje er bovenop.
Ik slikte, keek nog eens rond, deed mijn ogen dicht, deed ze weer open, ademde nog een keer diep door en vond het goed. Ik verliet de kamer, de deur achter me sluitend. 
Toen ging mijn pieper. Kamer 3… een voor mij nieuwe dame; een aantal dagen geleden opgenomen en heel ernstig ziek. Altijd spannend om die kamerdeur voor de eerste keer open te doen, omdat je niet helemaal van tevoren kunt inschatten in welke staat je iemand zult aantreffen. 
Een paar vriendelijke blauwe ogen keken me aan vanonder een grijsblonde lok. Een pittig kort geknipt koppie op een groot kussen. Bijna meisjesachtig. Ze glimlachte en vroeg om een beker ijswater. Ik liep de kamer in en stelde me voor. Ze lachte: “Marleen Bode…. Marleen Bode… dat ben jij dus! Jij krijgt de groeten van … eh, wacht even, hoe heet hij ook alweer… Egbert!” Wat een ontzettend leuke binnenkomer! Egbert was één van mijn favoriete collega’s, die nu met pensioen is. Hij is vrijwilliger bij de Twentse Wens Ambulance en had mevrouw daardoor leren kennen. We lachten allebei en schudden elkaar de hand. Ze kreeg bezoek en ik zou later nog even bij haar gaan buurten, spraken we af.
Aan het einde van de middag was mevrouw weer alleen en wilde graag een waterijsje. Ze kan niets meer eten, alleen nog drinken. O.a. door de medicatie heeft ze een droge mond. Ze genoot zichtbaar van haar ijsje. Ze zei: “Dat vind ik zo lekker, een waterijsje – lustte ik vroeger niet – en ijswater. Als ik ’s nachts wakker word en een slokje neem, dan ben ik zo gelukkig!” Ze zag er werkelijk uit alsof ze meende, wat ze zei.
Ik ging naast haar zitten. Ze vroeg hoe vaak ik werkte als vrijwilliger. Meestal 1 à 2 keer in de week; soms vaker als er iemand uitviel en dan weer dagen niet. “Is ook wel beter,” zei de vrouw. “Je moet niet te nauw betrokken worden bij dit werk. Je moet het ook kunnen loslaten.” 
Goh, wat bijzonder dat ze dit zomaar zegt. Het ís ook zo, maar je verwacht niet dat de gasten in de hospice daar bij stilstaan.
“Het duurt voor mij niet lang meer,” vertelt de oudere dame. “Ik heb al veel mensen verloren, ook vriendinnen, zelfs uit het klooster. Zij waren bang om te sterven. Ongelooflijk toch? Ik geloof, ja.... of nee, ik wéét! De religie heb ik losgelaten, er is teveel gedoe in de kerk. Met name als je gereformeerd bent, heb je het zwaar. Die prediken hel en verdoemenis; geen wonder dat men dan bang is om te sterven! Ik ben Boeddhistisch-Katholiek, zeg ik altijd (ze glimlacht). Ik ben niet bang; ik ben er klaar voor. Mensen zijn altijd bang om dingen te verliezen. Ik zeg dan: doe je ogen eens dicht. Wat zie je? Niets? Nou dat bedoel ik. Er ís niets. Niets te verliezen. Je hebt alles in bruikleen in dit leven. Ik heb niets meer om me zorgen over te maken. Ik kreeg anderhalve maand geleden te horen, dat ik ernstig ziek was en toen ging het razendsnel. Ik ga hard achteruit. Ik snap niet waarom mij dit overkomt, maar het overkomt me en het is goed zo. Je krijgt kracht naar kruis; niets wat je niet aankunt. Als ik in de spiegel kijk, ben ik vandaag alweer magerder dan gisteren. (Keert heel even in zichzelf.) 
Wanneer ben jij er weer? Volgend weekend? Nou, dan weet ik niet of ik er nog wel ben! Ze lacht, bijna voluit en lijkt blij met dit vooruitzicht. Dat intrigeert me. Ineens zegt ze: “Ik geloof in engelen… ik ben niet paranormaal of zo, hoor. Mijn buurman wel… die ziet ze ook letterlijk vliegen! Ik niet. Vroeger moest ik ook niets van engelen hebben, maar nu kan ik ze niet meer ontkennen. Je moet ze ook niet zien als wezens met vleugels… nee, wezens van licht! En ze zijn er om je te helpen. Als je hun vraagt om te helpen, dan doen ze dat. Als je hun niets vraagt, doen ze ook niets. Ze blijven op de achtergrond tot jij hen dichterbij vraagt. Als ik afscheid moet nemen van mensen, zeg ik ook altijd: Mogen de engelen je begeleiden naar het Licht.”
Ik bleef me verbazen in dit gesprek. Wauw, wat een bijzonder mens! En zo helder en reëel.
“Ik heb een mooi boek gelezen van mijn broer. Het ligt daar op het kastje, kijk maar even.” Ik zag het niet liggen, maar wel een mapje met papieren. 
“Ja, dat bedoel ik,” zegt ze. “Ik heb alle stukjes uit het boek die ik mooi vond of die me om de één of andere reden aanspraken overgetypt. Ik denk, dat jij het ook mooi zult vinden.”
Het bleken stukjes tekst uit ‘De stilte spreekt’ van Eckhart Tolle. Onvoorstelbaar! Ik heb zijn boek ‘De Kracht van het NU’ in de kast.
“Als je wilt, kun je het nu nog kopiëren. Ze hebben hier vast wel een apparaat. Dan moet je het wel nú doen!” spoort de vrouw me aan.
Ik grijns, bedank haar en ga naar mijn collega om dit te vertellen. Ik heb het snel gekopieerd en ging naar de lieve dame terug. 
“Mooi,” zegt ze. “Ik denk dat je er iets aan zult hebben, ook bij een afscheid. Woorden van troost, inzichten, wat dan ook. Paranormaal hoef je niet te zijn. Bedenk dat waar het werkelijk om gaat, liefde en compassie is!”
Ik kijk naar de vrouw en in haar lieve ogen met de zachte blik en spreek uit wat ik denk: 
“Wat ben ik blij, dat ik u vandaag heb ontmoet!”
Ze steekt haar hand uit en ik pak hem tussen mijn beide handen. Ze trekt me naar zich toe, geeft me een knuffel en zegt: “Nu moet je ook dit loslaten…. “
Ik vraag haar nog één ding: of ik deze bijzondere ontmoeting mag delen op Facebook.
“Dat mag zeker,” zegt ze vriendelijk. “Als je mijn naam er maar níet bij zet.” 
Dat is ook niet nodig; haar naam staat in mijn hart gegrift….

(Marleen Bode, 7 december 2014)